Dit mag later op mijn grafsteen. De dode, van Vicente Aleixandre.
Onder de aarde donkert
de dag. Zeldzame vogel,
vogel daarboven in de bood, die zingt voor een dode.
Onder de aarde slaap ik
als een van de wortels van die boom die ik, eenzaam, in mij
voeding geef.
Je drukt niet, machtige en verschrikkelijke boom die in de luchten
torent,
die uit mijn borst ontgroeit met een dringend groen
om naar buiten te treden en je te ontvouwen in lachende takken
waar een vogel in zingt, blijvend op mijn borst.
Prachtig, helder leven van een boom die steunt
op de aarde zelf die een mens eens is geweest.
Gaaf lichaam dat nóg leeft, niet slaapt, nooit slaapt.
Vandaag waakt het als een schitterende boom die een zon brandend
doorschijnt.
Ik ben geen herinnering, vrienden, noch vergeten. Blij stijg ik,
licht, ruisend, door een stam naar het leven omhoog.
Vrienden, vergeet mij. Mijn bladerkruin zingt altijd,
licht, in de ruimte, onder een voortdurende hemel.
(Als newagesentimentalisme zich omzet naar Literatuur moet er wel een zotte schrijver achter gezeten hebben.)
Dat combineren met mijn ultieme rouwlied
en jullie gaan allemaal wenen, bitches.
zaterdag 4 juli 2009
woensdag 3 juni 2009
Schrijft er eentje op mijn lijf zonder begin en zonder slot
Nu we toch bezig zijn, en een beetje emo, een liedje waar ik de afgelopen dagen uitvoerig naar heb geluisterd:
Ongekunstelde tekst, zit mooi in elkaar. Opmerkelijk trouwens dat het typisch Brabants aandoet, terwijl Hannelore Bedert uit West-Vlaanderen komt.
Toen ik het argeloos meezong zei de kleine zus plots: 'Zo zielig!' Doet uw ogen toe, ik ben zoveel schoner als ge 't licht uitdoe, inderdaad, niet bepaald een zin die blaakt van zelfvertrouwen. En toch wil ik mijn zelfrespect te allen tijde ruilen voor Hannelores muzikaal talent.
Ongekunstelde tekst, zit mooi in elkaar. Opmerkelijk trouwens dat het typisch Brabants aandoet, terwijl Hannelore Bedert uit West-Vlaanderen komt.
Toen ik het argeloos meezong zei de kleine zus plots: 'Zo zielig!' Doet uw ogen toe, ik ben zoveel schoner als ge 't licht uitdoe, inderdaad, niet bepaald een zin die blaakt van zelfvertrouwen. En toch wil ik mijn zelfrespect te allen tijde ruilen voor Hannelores muzikaal talent.
cafépsychologie
Nu vraag ik me af of het niet gevaarlijk is een betekenis toe te kennen aan iets dan in wezen leeg is, maar we schijnen het niet te kunnen laten. We bedekken de gaten met onze woorden, proberen verklaringen te vinden voor de leegte tot we vergeten dat die bestaat.
Siri Hustvedt - De Blinddoek
Om de één of andere reden blijf ik dit fragment herlezen. Woord voor woord, nu al een keer of vijf, en ik begrijp het nog niet helemaal. Ik ben er zeker van dat er ergens iets zinnigs in schuilt, iets van wijsheid, maar de woorden zijn zelf een beetje leeg. Misschien zoek ik een uitleg voor het licht onbehagen dat erdoor wordt opgeroepen. Het komt wel vaker voor dat ik iets lees waar ik even aan blijf snuffelen vanuit een vermoeden van diepere betekenis. Sterker, boeken ontvangen zelden mijn two thumbs up als dergelijke passages er níet in voorkomen. Soms doet een flard genialiteit me duizelen en klap ik het boek toe om het moment even te koesteren. Op andere momenten blijf ik erop knagen, eraan twijfelend of a. ik te dom ben om te begrijpen wat er nu precies gezegd wordt of b. de schrijver zelf niet goed wist wat hij (zij) deed. We hebben allemaal wel eens een 'this is deep, man'-moment. De minder verbaal begaafden doen onder ons doen er echter beter aan om ons begrip van het universum woordeloos te houden. Niets zo ontluisterend als het herlezen van naakte woorden op ongenadig papier. (Zo ben ik er zeker van dat ik al het voorgaande binnen drie maanden niet alleen hopeloos zinloos, maar ook stuntelig verwoord zal vinden.) (Is een korte houdbaarheidsdatum van eigen hersenspinsels een teken van voortdurende evolutie of eerder een combinatie van beperkt intellectueel talent en bescheiden pretentie?)
Maar terug naar het fragment. Het is zodanig meta dat ik er haast postmodernistisch van word. Door de zinnen te interpreteren en een eigen betekenis te geven, doen we precies wat beschreven wordt, en we hebben daar zelfs geen keuze in, want niet begrijpen is niet lezen en wie niet leest wanneer hij leest kan beter investeren in een DVD-collectie. Ofzo. Life imitates art, haha, Siri, gekkerd, ik begin er spontaan vierregelige zinnen van te typen.
Maar is dat citaat niet generisch? (Moeten teksten eigenlijk generisch zijn vooraleer ze verteerbaar zijn voor andere mensen?) Hoe meer vragen, hoe verder ik afvloei van waar ik eigenlijk over wou schrijven, en dat is onze neiging tot menselijke analyse. Wat Siri daar schreef, beeld ik me in, kan alleen uit de pen van een vrouw komen. Niet dat mannen nooit nadenken over de bochten in de geesten van hun medemens, maar vrouwen hebben op dat vlak onmiskenbaar een streepje voor. Wie ooit naar Sex and the City gekeken heeft, zal kunnen beamen dat Carrie & Co. letterlijk álle gebaren en handelingen van hun tegenspelers bespreken. Fictief, evidemment, maar toch zo uit het leven gegrepen. Zet vier vrouwen samen en de mogelijkheid tot interpretatie van andermans wezen is schier* eindeloos. Aan de hand van een paar gebeurtenissen en uitspraken trekken we conclusies over hele persoonlijkheden. E. weent op fora over hoe haar leven suckt maar doet alsof er niets aan de hand is irl. Labiel! S. wordt opvallend uitbundiger wanneer er mannen in de buurt zijn. Aandachtshoer! L. raakt in vervoering van klassieke concerti maar heeft hoegenaamd geen gevoel voor muziek en praat zijn mama na. Arty-farty!
Nu, dat is allemaal nog maar kinderspel en allemaal goed en wel - er is nooit iemand gestorven van stereotypering. (Ok, dat is niet waar, een paar miljoen joden vervloeken me nu vast vanuit hun hiernamaals.) Het interpreteren en inleven scheert pas echt hoge toppen wanneer het over het begrijpen van kleine dingen gaat. Neem twee gegevens, pakweg het voorzichtig strelen van een hand en de dag nadien het zorgvuldig negeren van het gebeurde, en reken de uitkomsten uit. Waartoe leidt het wanhopig linken van die kleine momenten aan karakteristieken, gevoelens, historiek om uit dat alles een verklaring of motivatie te puren? Zelfs al komen we tot een plausibel verhaal, draaien we ons daar geen rad mee voor de ogen? Ik denk dat mensen vaker niet dan wel nadenken bij wat ze doen. In wezen leeg. Obsessieve analyse is allicht beter voor onze gemoedsrust dan een simpel 'Waarom?' 'Daarom.' .
Ach.
*Schier is typisch zo'n woord dat vaak gebruikt wordt op teksten te versieren, maar waarvan niemand eigenlijk weet wat het precies betekent. Heerlijk! 'Schier eindeloos' klinkt natuurlijk net iets erudieter dan 'bijna eindeloos'.
Maar terug naar het fragment. Het is zodanig meta dat ik er haast postmodernistisch van word. Door de zinnen te interpreteren en een eigen betekenis te geven, doen we precies wat beschreven wordt, en we hebben daar zelfs geen keuze in, want niet begrijpen is niet lezen en wie niet leest wanneer hij leest kan beter investeren in een DVD-collectie. Ofzo. Life imitates art, haha, Siri, gekkerd, ik begin er spontaan vierregelige zinnen van te typen.
Maar is dat citaat niet generisch? (Moeten teksten eigenlijk generisch zijn vooraleer ze verteerbaar zijn voor andere mensen?) Hoe meer vragen, hoe verder ik afvloei van waar ik eigenlijk over wou schrijven, en dat is onze neiging tot menselijke analyse. Wat Siri daar schreef, beeld ik me in, kan alleen uit de pen van een vrouw komen. Niet dat mannen nooit nadenken over de bochten in de geesten van hun medemens, maar vrouwen hebben op dat vlak onmiskenbaar een streepje voor. Wie ooit naar Sex and the City gekeken heeft, zal kunnen beamen dat Carrie & Co. letterlijk álle gebaren en handelingen van hun tegenspelers bespreken. Fictief, evidemment, maar toch zo uit het leven gegrepen. Zet vier vrouwen samen en de mogelijkheid tot interpretatie van andermans wezen is schier* eindeloos. Aan de hand van een paar gebeurtenissen en uitspraken trekken we conclusies over hele persoonlijkheden. E. weent op fora over hoe haar leven suckt maar doet alsof er niets aan de hand is irl. Labiel! S. wordt opvallend uitbundiger wanneer er mannen in de buurt zijn. Aandachtshoer! L. raakt in vervoering van klassieke concerti maar heeft hoegenaamd geen gevoel voor muziek en praat zijn mama na. Arty-farty!
Nu, dat is allemaal nog maar kinderspel en allemaal goed en wel - er is nooit iemand gestorven van stereotypering. (Ok, dat is niet waar, een paar miljoen joden vervloeken me nu vast vanuit hun hiernamaals.) Het interpreteren en inleven scheert pas echt hoge toppen wanneer het over het begrijpen van kleine dingen gaat. Neem twee gegevens, pakweg het voorzichtig strelen van een hand en de dag nadien het zorgvuldig negeren van het gebeurde, en reken de uitkomsten uit. Waartoe leidt het wanhopig linken van die kleine momenten aan karakteristieken, gevoelens, historiek om uit dat alles een verklaring of motivatie te puren? Zelfs al komen we tot een plausibel verhaal, draaien we ons daar geen rad mee voor de ogen? Ik denk dat mensen vaker niet dan wel nadenken bij wat ze doen. In wezen leeg. Obsessieve analyse is allicht beter voor onze gemoedsrust dan een simpel 'Waarom?' 'Daarom.' .
Ach.
*Schier is typisch zo'n woord dat vaak gebruikt wordt op teksten te versieren, maar waarvan niemand eigenlijk weet wat het precies betekent. Heerlijk! 'Schier eindeloos' klinkt natuurlijk net iets erudieter dan 'bijna eindeloos'.
vrijdag 10 april 2009
Tweede leven
Als het zover is gekomen dat ik procrastineren procrastineer met onproductieve procrastinatie, is er iets zwaar loos. Tijd om wakker te worden.
Soms denk ik dat Jane Austen over relaties schreef om zich er vooral zelf niet aan te moeten wagen. Al zou het leuk zijn mocht ooit bekend worden dat ze stiekem een Georgiaans roofdier pur sang was. Toegegeven, een bijzonder hete beze was ze niet, maar als Natalie het kan, kan iedereen het!
Soms denk ik dat Jane Austen over relaties schreef om zich er vooral zelf niet aan te moeten wagen. Al zou het leuk zijn mocht ooit bekend worden dat ze stiekem een Georgiaans roofdier pur sang was. Toegegeven, een bijzonder hete beze was ze niet, maar als Natalie het kan, kan iedereen het!
dinsdag 27 mei 2008
Metafoor van de dag, week, maand
De eer gaat naar Meg Cabot.
The sky was like this big blue overturned salad bowl in the sky.
(Teen Idol, pagina 184)
Zo geweldig dat ik er zelfs geen grapjes over ga probéren maken. In ieder geval schat ik mijn toekomst in de chick lit zeer rozig in. Ik ben maar één magere plot, 10 kartonnen personages en 50 semi-lollige popcultuurreferenties verwijderd van een fortuin!
Veel dank aan mijn zus ook voor de schenking van het boek. Uitstekende pauzevulling.
The sky was like this big blue overturned salad bowl in the sky.
(Teen Idol, pagina 184)
Zo geweldig dat ik er zelfs geen grapjes over ga probéren maken. In ieder geval schat ik mijn toekomst in de chick lit zeer rozig in. Ik ben maar één magere plot, 10 kartonnen personages en 50 semi-lollige popcultuurreferenties verwijderd van een fortuin!
Veel dank aan mijn zus ook voor de schenking van het boek. Uitstekende pauzevulling.
zaterdag 24 mei 2008
Canon van de jeugd
Ik ben dus bijna twintig. Nog iets minder dan twee maanden en het excuus 'maar ik ben nog een tiener' vervaagt officieel. Hip? Wel, nee. Met een droevig gezichtje erachter: :( . Eigenlijk wil ik al sinds mijn vijftiende niet meer verjaren, omdat ik mezelf toen volmaakt idealistisch vond, een eigenschap die ik naar ik vreesde zou kwijtraken naarmate de jaren verstreken. Ik was toen aanzienlijk snuggerder dan nu en heb dus overschot aan gelijk gekregen. In die mate zelfs dat ik soms van mijn eigen cynische uitspraken verschiet. Toen ik vijftien was vond ik skateschoenen en the Lord of the Rings waarschijnlijk nog het toppunt van cool, en kijk, dat is er gelukkig ook uitgegroeid. Dus misschien moet ik niet zo verdrietig zijn over mijn teloorgegane dromen. Hoe het ook zij, wanneer het op leeftijden aankomt, kan ik me nog steeds troosten met de gedachte dat ik jonger ben en blijf dan het gros van mijn vriendenkring. Dat ik volgend jaar mijn masterdiploma behaal op mijn twintigste (mijn motivatie om de thesis in eerste zit af te krijgen), is ook zeer mooi meegenomen. Reken maar dat ik daar te pas en te onpas op ga terugkomen.
Mama: 'Waarom doe je niets met je leven?' (Niet dat mijn happyhippiehippe moeder ooit zoiets zou zeggen.)
Ik: 'Wat?! Ik had mijn diploma al toen ik twintig was!'
Papa: 'Wanneer ga je stoppen met bij ons komen schooien?' (Niet dat mijn vrijgevige vader dat ooit van zijn tong zou laten rollen.)
Ik: 'Sorry?! Ik heb jullie een vol schooljaar aan kosten bespaard! Wil ik dat eens omrekenen?'
Jammer dat ik geen vervelende ouders heb. Maar goed, ik dwaal af. In juli is het zo ver, en mijn ambities om een tienerauteur te worden heb ik reeds lang weggelachen. Gelukkig, want dat sikje van Bart Moeyaert zou me nooit zo goed gestaan hebben en om een literaire Isabelle A te worden was ik veel te pretentieus. Waar ik wel nog steeds prat op ga is mijn leeshonger. Wanneer ik oude vrienden van mijn ouders tegen het lijf loop, zeggen ze nog steeds: 'Ha, dat was jij, die nergens heen ging zonder boek!' Inderdaad. En in ons boekenwurmengezin wil het wel wat zeggen dat ik binnen onze familiale kring als de meest fanatieke lezer bekend sta. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat ik altijd even goede dingen heb gelezen - sterker, ik ben nog door een stationsromannetjesfase gegaan. Ik geloof ook nog steeds dat ik me op basis van die expertise rijk ga schrijven met een hit à la Sophie Kinsella. Rond mijn veertiende ben ik wel met een inhaalbeweging gestart, en op een gekke manier wist ik vaak toevallig boeken uit de rekken te plukken die zich kunnen beroepen op behoorlijk wat literaire faam. Wat klassiekers betreft heb ik dus wel al wat achter de kiezen, maar er ligt nog heel wat op mijn bord. De vraag is nu: welke boeken zou ik voor mijn twintigste verjaardag zeker nog gelezen moeten hebben? Musil, Toergenjev, Kafka? Dante, Tolstoj, Stendhal? Goethe? Conscience, Multatuli, Gorter? Jorge Luis Borges, Cervantes, Rabelais? Allemaal auteurs waarvan ik fragmenten of kleinere werken heb gelezen. (Van Kafka heb ik bijvoorbeeld wel het roerende Brief aan mijn vader op mijn conto staan.)
Twijfel! De moeder van tijdverlies.
Mama: 'Waarom doe je niets met je leven?' (Niet dat mijn happyhippiehippe moeder ooit zoiets zou zeggen.)
Ik: 'Wat?! Ik had mijn diploma al toen ik twintig was!'
Papa: 'Wanneer ga je stoppen met bij ons komen schooien?' (Niet dat mijn vrijgevige vader dat ooit van zijn tong zou laten rollen.)
Ik: 'Sorry?! Ik heb jullie een vol schooljaar aan kosten bespaard! Wil ik dat eens omrekenen?'
Jammer dat ik geen vervelende ouders heb. Maar goed, ik dwaal af. In juli is het zo ver, en mijn ambities om een tienerauteur te worden heb ik reeds lang weggelachen. Gelukkig, want dat sikje van Bart Moeyaert zou me nooit zo goed gestaan hebben en om een literaire Isabelle A te worden was ik veel te pretentieus. Waar ik wel nog steeds prat op ga is mijn leeshonger. Wanneer ik oude vrienden van mijn ouders tegen het lijf loop, zeggen ze nog steeds: 'Ha, dat was jij, die nergens heen ging zonder boek!' Inderdaad. En in ons boekenwurmengezin wil het wel wat zeggen dat ik binnen onze familiale kring als de meest fanatieke lezer bekend sta. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat ik altijd even goede dingen heb gelezen - sterker, ik ben nog door een stationsromannetjesfase gegaan. Ik geloof ook nog steeds dat ik me op basis van die expertise rijk ga schrijven met een hit à la Sophie Kinsella. Rond mijn veertiende ben ik wel met een inhaalbeweging gestart, en op een gekke manier wist ik vaak toevallig boeken uit de rekken te plukken die zich kunnen beroepen op behoorlijk wat literaire faam. Wat klassiekers betreft heb ik dus wel al wat achter de kiezen, maar er ligt nog heel wat op mijn bord. De vraag is nu: welke boeken zou ik voor mijn twintigste verjaardag zeker nog gelezen moeten hebben? Musil, Toergenjev, Kafka? Dante, Tolstoj, Stendhal? Goethe? Conscience, Multatuli, Gorter? Jorge Luis Borges, Cervantes, Rabelais? Allemaal auteurs waarvan ik fragmenten of kleinere werken heb gelezen. (Van Kafka heb ik bijvoorbeeld wel het roerende Brief aan mijn vader op mijn conto staan.)
Twijfel! De moeder van tijdverlies.
zaterdag 17 mei 2008
100 jaar eenzaamheid
Let op mijn woorden: solitude is de nieuwe attitude. Vooral populair onder gezapig gespensioneerde migranten, met blokjeshemden en beige broeken die hun licht donkerdere teint accentueren. Om hun dagen te vullen reizen ze rond met het openbaar vervoer. En bieden ze kleine meisjes snoepjes aan. Of een huwelijk. De naam van hun patroonheilige? Gabriel Garcia Márquez.
Gisteren zat ik rustig te wachten op mijn bus aan één van de perrons van het Zuidstation. Nu is dat rond 23u 's avonds ook niet mijn favoriete plaats, maar het ligt in een behoorlijk levendige buurt. Je bent er beter af dan bij pakweg het Noordstation. Daar sluipen rond middernacht vooral onbevreesden en gluiperds rond. Enfin, niet dat dat ertoe doet, aangezien het amper 19u was toen ik mijn achterwerk bevallig op een bank neervlijde. Mijn punt is dat het Zuid - in tegenstelling tot het Noord, waar de verlaten zakenwijk een nogal akelige indruk achterlaat - tegen een buurt aanligt waar nog een redelijk volkse sfeer heerst. De oude mannen zitten er samen op stoepen en vrouw slaan praatjes met elkaar terwijl ze zich door hun ramen buigen om hun tapijten uit te kloppen - een beweging die ze later op de avond nog eens simultaan kunnen oefenen, nadat de eigenaar van de buurtwinkel is komen aanbellen, hun krols kroost, betrapt op suiker stelen en andere vrijbuiterijen, aan de oren vasthoudend. Allemaal best gezellig. Net als de mix van talen die je overal hoort. Mensen praten hier af en toe met wildvreemden. (De horror!) Ik vind het doorgaans helemaal niet vervelend wanneer mensen een gesprek initiëren, al zou ik me er zelf nooit aan wagen. Soms kom je op die manier nog leuke types tegen en je leert dan al eens iets bij: vorige week heeft een Congolese oma me verteld dat zwarte kindjes soms wit geboren worden. Ik dacht dat ze me blaasjes wijsmaakte (zeker toen ik er later op het wereldwijze web niets over terugvond), maar het is echt waar. Dixit mama.
Dat aanspreken moet echter ook niet uit de hand lopen. Irritant wordt het wanneer overmoedige jongens je als een gratis stoephoer behandelen en je zo snel mogelijk in hun auto willen lokken, of je nummer proberen los te peuteren. Daar wordt geen enkel middel voor geschuwd: aandringen op koffie, exclamaties over je vermeende schoonheid (kom jongens, ik sta slechts op 4 in de Hot Babe Scale), hun nummer in je zak proppen, zeggen hoeveel ze van je houden en dat ze met je willen trouwen - waardoor een gemiddeld meisje het vandaag de dag uiteraard nog benauwder krijgt. Bovendien schat ik de kans dat ik trouw met iemand die me op straat aansprak om lustgerelateerde redenen ongeveer zo groot als de kans dat ik me ooit in de echt verenig met Radhakant Bajpai, wereldrecordhouder langste oorhaar. Zelfs achtervolgingsoffensieven heb ik meegemaakt. Gelukkig word ik niet rap bang en heb ik nog nooit deodorant in iemands ogen moeten spuiten. (Aan pepperspray zou ik me niet wagen, aangezien dat onvermijdelijk een weerslag heeft, zo niet in je eigen ogen, dan wel op je keel. En je kan dat niet zomaar wegspoelen, want je speeksel proeft vies en spuw je liefst uit, en voor zover ik weet is het voor de keel fysisch onmogelijk tranen te produceren.) Oude mensen kunnen ook een beetje ergerlijk zijn, maar daarvan weet je tenminste dat ze zich gewoon eenzaam voelen en geen bijbedoelingen hebben. Ze zijn een beetje als de homo's waarvan hippiedames het niet erg vinden dat ze aan hun borsten zitten, omdat het hun toch niets doet. Ouderen van dagen zijn de anders-seksueel-georiënteerden van de bushaltekennissen. Dacht ik. Tot gisteren mijn wereld op losse schroeven kwam te staan.
Me van geen kwaad bewust verdiepte ik me in Herinneringen aan mijn droeve hoeren van Marquez toen een oude man op leeftijd, laat ik hem voor het gemak Pablo noemen, naast mij kwam staan. Bij het zien van de foto en de naam op de kaft verzeilde hij in iets dat ik alleen maar kan benoemen als een zuiders delirium. Enthousiast begon hij in het Spaans tegen me te ratelen, wat ik enigszins gelaten onderging, aangezien mijn Spaans zich beperkt tot Que si, que no, Que nunca te decides en Vamos a la playa. Vervolgens omhelsde hij me en gaf hij me drie kussen, onderwijl aandringend dat ik hém er een moest geven. Dat deed ik dan maar, aangezien ik het wel lief vond dat zo'n oude kerel zich zo kon opwinden (op een niet-seksuele manier) over een boek. Eentje is geentje moet Pablo echter gedacht hebben, want in de komende twintig minuten speelde hij het klaar om maar liefst 13 keer zijn lippen op mijn wangen te planten, en me ook nog twee zoenen te ontfutselen. Bij mijn foetale ontwikkeling moet iets misgelopen zijn, want ik heb geen ruggengraat en kreeg het dus ook niet over mijn hart om hem simpelweg te negeren. Na een regelmatig stilvallend gesprek en enkele klunzige omhelzingen, volgde Pablo me de bus op. Hij plaatste zich naast me en deed maar liefst 4 pogingen om zijn hand op mijn dij te leggen. Toen hij begon te spreken over met me meegaan naar huis en uitspraken deed als 'Toi et moi, c'est bon, non? On ne peut pas se marier?' begon ik een beetje ongerust te worden. Een hyena op pensioen is misschien niet meer zo gevaarlijk, maar dat wil niet zeggen dat de ouders van een geviseerde gazelle hem in hun huis willen verwelkomen. Toen ik dan maar mezelf forceerde (want ik ben veel te zachtaardig), zijn arm van mijn schouders plukte en vroeg: 'Vous descendez où?' moet hij het eindelijk doorgehad hebben en na nog drie laatste natte lebbers stapte hij af.
Wat heeft Marquez daar nu concreter mee te maken? De eerste zin van de roman: Voor mijn negentigste verjaardag, wilde ik mezelf trakteren op een waanzinnige liefdesnacht met een jonge maagd. Nice try, Pablo. Nice try.
Gisteren zat ik rustig te wachten op mijn bus aan één van de perrons van het Zuidstation. Nu is dat rond 23u 's avonds ook niet mijn favoriete plaats, maar het ligt in een behoorlijk levendige buurt. Je bent er beter af dan bij pakweg het Noordstation. Daar sluipen rond middernacht vooral onbevreesden en gluiperds rond. Enfin, niet dat dat ertoe doet, aangezien het amper 19u was toen ik mijn achterwerk bevallig op een bank neervlijde. Mijn punt is dat het Zuid - in tegenstelling tot het Noord, waar de verlaten zakenwijk een nogal akelige indruk achterlaat - tegen een buurt aanligt waar nog een redelijk volkse sfeer heerst. De oude mannen zitten er samen op stoepen en vrouw slaan praatjes met elkaar terwijl ze zich door hun ramen buigen om hun tapijten uit te kloppen - een beweging die ze later op de avond nog eens simultaan kunnen oefenen, nadat de eigenaar van de buurtwinkel is komen aanbellen, hun krols kroost, betrapt op suiker stelen en andere vrijbuiterijen, aan de oren vasthoudend. Allemaal best gezellig. Net als de mix van talen die je overal hoort. Mensen praten hier af en toe met wildvreemden. (De horror!) Ik vind het doorgaans helemaal niet vervelend wanneer mensen een gesprek initiëren, al zou ik me er zelf nooit aan wagen. Soms kom je op die manier nog leuke types tegen en je leert dan al eens iets bij: vorige week heeft een Congolese oma me verteld dat zwarte kindjes soms wit geboren worden. Ik dacht dat ze me blaasjes wijsmaakte (zeker toen ik er later op het wereldwijze web niets over terugvond), maar het is echt waar. Dixit mama.
Dat aanspreken moet echter ook niet uit de hand lopen. Irritant wordt het wanneer overmoedige jongens je als een gratis stoephoer behandelen en je zo snel mogelijk in hun auto willen lokken, of je nummer proberen los te peuteren. Daar wordt geen enkel middel voor geschuwd: aandringen op koffie, exclamaties over je vermeende schoonheid (kom jongens, ik sta slechts op 4 in de Hot Babe Scale), hun nummer in je zak proppen, zeggen hoeveel ze van je houden en dat ze met je willen trouwen - waardoor een gemiddeld meisje het vandaag de dag uiteraard nog benauwder krijgt. Bovendien schat ik de kans dat ik trouw met iemand die me op straat aansprak om lustgerelateerde redenen ongeveer zo groot als de kans dat ik me ooit in de echt verenig met Radhakant Bajpai, wereldrecordhouder langste oorhaar. Zelfs achtervolgingsoffensieven heb ik meegemaakt. Gelukkig word ik niet rap bang en heb ik nog nooit deodorant in iemands ogen moeten spuiten. (Aan pepperspray zou ik me niet wagen, aangezien dat onvermijdelijk een weerslag heeft, zo niet in je eigen ogen, dan wel op je keel. En je kan dat niet zomaar wegspoelen, want je speeksel proeft vies en spuw je liefst uit, en voor zover ik weet is het voor de keel fysisch onmogelijk tranen te produceren.) Oude mensen kunnen ook een beetje ergerlijk zijn, maar daarvan weet je tenminste dat ze zich gewoon eenzaam voelen en geen bijbedoelingen hebben. Ze zijn een beetje als de homo's waarvan hippiedames het niet erg vinden dat ze aan hun borsten zitten, omdat het hun toch niets doet. Ouderen van dagen zijn de anders-seksueel-georiënteerden van de bushaltekennissen. Dacht ik. Tot gisteren mijn wereld op losse schroeven kwam te staan.
Me van geen kwaad bewust verdiepte ik me in Herinneringen aan mijn droeve hoeren van Marquez toen een oude man op leeftijd, laat ik hem voor het gemak Pablo noemen, naast mij kwam staan. Bij het zien van de foto en de naam op de kaft verzeilde hij in iets dat ik alleen maar kan benoemen als een zuiders delirium. Enthousiast begon hij in het Spaans tegen me te ratelen, wat ik enigszins gelaten onderging, aangezien mijn Spaans zich beperkt tot Que si, que no, Que nunca te decides en Vamos a la playa. Vervolgens omhelsde hij me en gaf hij me drie kussen, onderwijl aandringend dat ik hém er een moest geven. Dat deed ik dan maar, aangezien ik het wel lief vond dat zo'n oude kerel zich zo kon opwinden (op een niet-seksuele manier) over een boek. Eentje is geentje moet Pablo echter gedacht hebben, want in de komende twintig minuten speelde hij het klaar om maar liefst 13 keer zijn lippen op mijn wangen te planten, en me ook nog twee zoenen te ontfutselen. Bij mijn foetale ontwikkeling moet iets misgelopen zijn, want ik heb geen ruggengraat en kreeg het dus ook niet over mijn hart om hem simpelweg te negeren. Na een regelmatig stilvallend gesprek en enkele klunzige omhelzingen, volgde Pablo me de bus op. Hij plaatste zich naast me en deed maar liefst 4 pogingen om zijn hand op mijn dij te leggen. Toen hij begon te spreken over met me meegaan naar huis en uitspraken deed als 'Toi et moi, c'est bon, non? On ne peut pas se marier?' begon ik een beetje ongerust te worden. Een hyena op pensioen is misschien niet meer zo gevaarlijk, maar dat wil niet zeggen dat de ouders van een geviseerde gazelle hem in hun huis willen verwelkomen. Toen ik dan maar mezelf forceerde (want ik ben veel te zachtaardig), zijn arm van mijn schouders plukte en vroeg: 'Vous descendez où?' moet hij het eindelijk doorgehad hebben en na nog drie laatste natte lebbers stapte hij af.
Wat heeft Marquez daar nu concreter mee te maken? De eerste zin van de roman: Voor mijn negentigste verjaardag, wilde ik mezelf trakteren op een waanzinnige liefdesnacht met een jonge maagd. Nice try, Pablo. Nice try.
Abonneren op:
Posts (Atom)
